Mijn broer ligt in het ziekenhuis. Iedereen in mijn grote familie is eigenlijk blij dat er nu eindelijk op hem gelet wordt en er mensen voor hem zorgen. Hij kan het gewoon niet, alleen leven. Er leven heel veel mensen in Nederland alleen. Van happy single tot eenzame zieke, in totaal woont 40% van de ca. 3,5 miljoen alleenstaanden in een grote stad. Met als gevolg dat ze verdwijnen in de massa.
Mijn broer heeft een psychische stoornis en is alcoholist. Hij verzuipt zijn onmacht om zelf iets aan zijn leven te kunnen veranderen. Als zus heb ik vaak en veel geprobeerd hem uit te leggen waarom hij niet goed bezig is, want dat is je rol als liefhebbende zus nou eenmaal. Resulterend in de ene machteloosheid tegenover de andere.
Uiteindelijk gaat het niet om wat je zegt, maar om wat je laat zien. Blood is thicker than water, zoveel is zeker. Ook mijn andere broers en zussen voelen zich machteloos. “Voortdurend een huilbui in je buik” noemt mijn zus het. Mijn broer vindt het moeilijk om met emoties van anderen om te gaan, vooral met die van zijn familie. Daarentegen is hij zeer taalvaardig en een meester in het verleggen van de aandacht.
Taal is het enige instrument om de machinerie van de hulpverlening in gang te zetten. Mijn uitdaging is om met behulp van taal de reguliere hulpverlening zo ver te krijgen dat zij begrijpen welke rol van hen wordt verwacht. Zij mogen even plaatsvervangend zorgende familie spelen, want zijn echte familie kan hem niet bereiken. Niet met taal, tenminste.